Kunst & Cultuur (10)
Over nut, waarde en prestatie.
Bekend is het verhaal van de violist die met zijn vioolkoffer in de trein zit en door een medepassagier
gevraagd wordt of hij daarin zijn instrument vervoert. ‘Ja zeker’, zegt de man. ‘ik ben violist in een van
de Nederlandse symfonieorkesten.’ Waarop de ander zegt; ‘Leuk, maar wat doet u dan eigenlijk voor
de kost?’ Dit kan een anekdote lijken die aan de fantasie is ontsproten, maar ik kan u verzekeren dat
ik persoonlijk soortgelijke situaties heb meegemaakt. Er is overigens een groot cultuurverschil tussen
de benadering van kunst en cultuur in ons land en bijvoorbeeld in Duitsland of Frankrijk. Winnie
Sorgdrager, D66, oud-minister van Justitie (1994-1998) en vervolgens lid van de Eerste Kamer, lid van
de Raad van State en sinds 2018 Minister van Staat, schrijft in haar boek Zuurstof van de Samenleving
over het nut van cultuur. Zij komt tot de conclusie dat in ons land de vraag naar het nut vooropstaat
en zij weet uit eigen ervaring dat investeren in cultuur in Nederland niet vanzelfsprekend is. Hier te
lande kende men in het verleden geen hofcultuur, zoals in Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk e.a. waarin
het logisch was dat kunst en cultuur een zaak voor de overheid was. Wel gaven rijke regenten en
welgestelde kooplieden in de Nederlanden geld uit om tastbare kunst (schilderijen bijvoorbeeld) aan
te schaffen met het doel deze in bezit te hebben als een investering. In een gesprek met een docent
aan een popacademie waarin deze sprak over de miljoenenindustrie die zijn muziekgenre
vertegenwoordigt, werd mij weer eens duidelijk hoe zeer nut, opbrengst, handelswaarde enzovoort
graadmeters zijn geworden bij de beoordeling van het nut van kunstvormen. Een ander aspect in de
benadering van, vooral, podiumkunsten is de manier waarop de kunstzinnige waarde ervan wordt
bepaald. Graadmeters zijn bezoekersaantallen, technisch vernuft (theater) of, vooral bij musici, de
snelheid en het volume waarmee gespeeld wordt. Alsof het uiteindelijke doel respectievelijk omzet,
trucage en sportieve prestatie is. Misschien is een concert met de helft minder bezoekers wel beter
dan dat wat uitverkocht was, gaat de intentie van de verhaallijn van de theatervoorstelling met
minder technisch vernuft wel veel dieper en is de muzikaliteit van de concertpianist die een passage
minder snel speelt van grotere intensiteit. Ik vind al deze ontwikkelingen ongunstig voor het behoud
van een klimaat waarin kunst en cultuur überhaupt, maar ook specifiek – denk aan theaters,
concertzalen, muziekscholen, muziekgezelschappen e.d. – kunnen gedijen. De plannen van onze
nieuwe regeringsploeg overziend wordt mijn vertrouwen daarop niet groter, en dan druk ik mij nog
eufemistisch uit. Maar het is m.i. te gemakkelijk alleen met een vinger naar Den Haag te wijzen; er is
een andere mentaliteit nodig in de brede zin. Wij faciliteren allen samen ‘de overheid’. Kunst en
cultuur zijn geen ‘batige producten’, geen ‘winstgevende industrieën’, geen ‘Olympische Spelen’ en
zijn slechts nuttig in die zin dat zij bijdragen aan een leefbare, menselijke samenleving en dat is al
heel veel. Ik hoop en denk er alle vertrouwen in te kunnen hebben, dat onze lokale overheid van ‘de
leukste gemeente van Nederland’ dat met mij eens is. Per slot van rekening dient ‘leuk en leefbaar
blijven’ een nog groter toekomstperspectief.
Geert C.A.M. Christenhusz.