In deze tijd van het jaar wanneer de 11de van de 11de nadert en carnavalsvierders druk bezig zijn hun
plannen te smeden, hun wagens op te tuigen en hoogheden te kiezen, loopt menig buutreedner, of
zo u wilt ‘tonprater/tonproater’ met een hoofd vol gedachten hoe hij of zij dit keer weer een verhaal
van zo’n 15 minuten in elkaar kan steken waarbij humor de boventoon voert. Het ontstaan van dit
fenomeen moeten we zoeken in de middeleeuwen, waarbij men bij het jaarlijkse zottenfeest in
streken als Brabant, Limburg, Rheinland (D) en sommige streken in België en Frankrijk de draak stak
met de hogere standen als adel, geestelijkheid en de gegoede burgerij. Zozeer zelfs dat voor een
korte periode de laagste in de standenmaatschappij, de zot, zijn gal mocht spuwen en al zijn
ongenoegen uitte middels volkslied en zottenspel. Het tonproaten, een onderdeel van het zottenspel,
was hét middel om de ‘hoge heren’ eens flink de oren te wassen. Men deed dit vanuit een lage
bierton, omdat het zo leek alsof de redenaar op de kansel stond in de kerk. Uiteraard werd ook deze
kerk op de korrel genomen; haar wetten en geboden waren immers streng en gaven het ‘plebs’
weinig ruimte tot vertier. Vaak begon zo’n ironische oratie dan ook met een Latijnse aanhef, opdat de
toehoorders wisten; hier wordt de (katholieke) kerk bespot. Een prachtig voorbeeld in dezen zijn de
(gezongen) Vespers van St. Job, vermeld in het boek Liederen en dansen uit de Kempen van Harrie
Franken, waarvan de aanhef klinkt als: Deus in adjutorium meum intende, hij die getrouwd is zit in de
ellende […]. Ik herinner mij iets soortgelijks in een scene gespeeld door het hier ter stede bekende
Duo Christenhusz, waarin de pastoor zijn huishoudster die een eend in de oven heeft geschoven –
maar doordat ze de mis bijwoont het braadsel vergeet, zodat er een geur van aanschroeiend vlees de
kerk binnendrijft – midden onder de gezongen litanie een en ander duidelijk tracht te maken; Maria,
deendum verbrendum, dreaium den end um in een mengeling van Twents en Potjeslatijn.
De tonprater of buutreedner verschuilt zich meestal achter een typetje waardoor het hem of haar
vrijstaat de ‘hoge omes’ de les te kunnen lezen, zonder daar persoonlijk op afgerekend te worden.
Een mooi voorbeeld van zo’n type is Tijl Uylenspiegel die iedereen, en vooral plaatselijke
hoogwaardigheidsbekleders, een spiegel voorhoudt (letterlijk en figuurlijk). Wim Goldschmidt
vertolkte in Oldenzaal jarenlang zeer verdienstelijk dit personage met een geheel op rijm gestelde
tekst. De authentieke buut was trouwens meestal op rijm, waarbij je de clou voelde aankomen en
deze werd bevestigd door een tusch van het (gala)orkest. Ook wijlen Tonny Morselt en Jo Veugelers
deden hun buut op rijm. De iets ‘jongere generatie’, Gerard Zekhuis en Gait Bulte (tuut-tuut hier is
Gait met ziene buut), stond niet meer in de ton en droeg niet meer voor op rijm. Beiden wisten de
juiste toon te treffen door hun kijk op de lokale samenleving in onvervalst Twents, waarbij Zekhuis
uitblonk in (streek)taalvondsten.
Als Twentstalige typetjes mogen in een opsomming van plaatselijk buuttalent ook Marcel Hooge
Venterink en Marijke Bijen niet ontbreken, waarbij ik nu al aanteken dat ik ongetwijfeld veel nieuw
talent vergeet. Mijn oprechte excuses daarvoor. Uit de regio noem ik Jan Riesewijk, Paul Wiefferink en
Mathilde Geerds. De streektaal maakt in veel gevallen een buut smeuïger, daar zij meer betrokken is
op lokale en regionale zaken. We kennen allemaal het verhaal van de mop die het in het Twents goed
doet, maar verteld in het Nederlands veel minder, zo niet geen, succes heeft. En dan nog: Veel
mensen vragen zich af waar het woord buut vandaan komt. Het is volgens mij te herleiden tot het
Franse but, hetgeen doel of mikpunt betekent. Wie dan het mikpunt zijn laat zich raden…
Geert C.A.M. Christenhusz.