Ja, u ziet het goed, hier staat twee keer hetzelfde woord. Althans de letters van het woord zijn
dezelfde, maar taalkundig en qua betekenis verschillen beide wel degelijk; het eerste woord is een
meervoudig zelfstandig naamwoord (steek; punthoed) en het tweede een werkwoord (steken;
prikken). Waarom zou men nu punthoeden gaan prikken? Welnu in dit gedeelte van het jaar ziet men
in onze stad, vooral in de avonduren, op de meest onverwachte plekken regelmatig ‘punthoeden’
opduiken, gedragen door lieden van enige statuur in het carnavalscircuit. Ooit werd de steek
gedragen door hoogwaardigheidsbekleders die tot de entourage van het hof behoorden, meestal
horizontaal als ‘driekantenmuts’ (verg. Napoleon, de Suise van onze Plechelmusbasiliek, de
opperstalmeester bij Prinsjesdag). De verticaal gedragen steek is het attribuut waarbij men aangeeft
tot het gevolg van een carnavalshoogheid te horen (bijv. leden van de Raad van 11). De zogenaamde
zotskamp met punten en belletjes was het hoofddeksel van de schelm. Bij sommige
carnavalsverenigingen in Duitsland wordt voor aan de verticale steek nog een belletje gedragen en in
Limburg bevestigt men op de steek van de prins, ten teken van zotte waardigheid, een of meer veren.
Werd nu oorspronkelijk de grootste zot tot Prins Carnaval verkozen, later evalueerde dat ambt tot een
voor velen benijdenswaardige positie met aanzien in de gemeenschap, waarvoor men ook nogal wat
tijd vrij moet kunnen maken vanwege allerlei sociale verplichtingen en de financiële ruimte moet
hebben om te voldoen aan wat het ambt op dat vlak van de persoon in kwestie eist. Tevens werd ook
in Oldenzaal, de organisatie van de “Dree dolle daag” en alle andere activiteiten vanaf de Elfde van de
Elfde tot aan het verbranden van de Bok, een kwestie van professionalisering van het carnaval.
Begrijpelijk dat in de ogen van sommigen de oorsprong van het feest op deze wijze verloren dreigde
te gaan. Binnen de carnavalsverenigingen ontstonden (met een knipoog weliswaar, maar toch!)
‘tegenstromingen’. Ik denk hierbij o.a. aan De Scheurtjes met Prins Bambo, de Kabrieten en natuurlijk
aan de Muiters die dit jaar hun 44-jarig jubileum vieren. Oervader van de Muiters was beeldhouwer
Jan Kip (1926-1987) die de groep jonge knapen die zich tegen de steeds strakkere organisatie van het
jongerencarnaval te weer stelde de naam gaf (‘iej bint ’n stel muiters’). Jan, een onconventionele
kunstenaar, gaf met zijn Muiters ook inhoud aan hun motto ‘Geen Steken, maar Streken’. En de
streken waren en zijn hun inderdaad niet vreemd. Streken om de steken (punthoeden) te steken
(prikken). Het mooie is dat ze niet zonder elkaar kunnen; zonder de steken zouden de Tijl
Uilenspiegels van het carnaval hun schelmenstreken niet kunnen uithalen en zonder het steken van
de schelmen zou de diepere zin van dit mooie feest verloren gaan. Het is een prachtig voorbeeld hoe
het maatschappelijk veld in evenwicht blijft; we hebben elkaar nodig en waar dat besef, niet alleen in
carnavalstijd wanneer we samen feesten, maar ook wanneer er minder feestelijke gebeurtenissen
plaatshebben, voldoende aanwezig is, daar kun je spreken van een stabiele samenleving. Ik ben er
van overtuigd dat de leukste gemeente van Nederland en grootste carnavalsstad boven de rivieren
dat waar kan maken.
Olnzel, mooie Boeskoolstad, doe dös miej dit, doe dös miej dat. Doe gees miej naar an ’t hat!
Geert C.A.M. Christenhusz.