Toen ik onlangs een artikel las waarin werd gesproken over het gebrek aan vakmensen in
verschillende bedrijfstakken en hoe nijpend dat langzamerhand in ons land begint te worden, moest
ik ineens denken aan een Twents woord dat mijn ouders en hun vrienden vaak gebruikten en dat in
betekenis en gevoel te vergelijken is met het van oorsprong Jiddische sjoege (sjoewe); versteesmie(j).
Bijvoorbeeld: Hee hef der wâ versteesmie van. Te vertalen als; hij heeft er wel verstand van, maar
meer nog als; hij is wel kundig op dit gebied. Tevens werd het gebruikt, wanneer mijn moeder met
mijn tantes of haar vriendinnen ‘vrouwenzaken’ besprak die niet voor kinderoortjes waren bedoeld,
vaak in de betekenis van ‘weeswâ’ (weet-je-wel). Ik hoor het woord zelden tot nooit meer en toen ik
er verschillende Twentse woordenboeken en -lijsten op nasloeg trof ik het nergens aan. Was het
misschien een taalvondst van mijn ouders’ familie- en kennissenkring? Als je het woord gaat
ontleden, dan bestaat het uit het werkwoord verstees (2e persoon enkelvoud van verstoan,
begrijpen) en het persoonlijk voornaamwoord mie(j) (mij), dus een vraagzinnetje gebruikt als
zelfstandig naamwoord. Of heeft mie(j) in dit geval de functie van een achtervoegsel? Taalkundig
interessant, maar in het kader van deze rubriek, kunst en cultuur, gaat het mij om de essentie van het
woord; (vak)bekwaamheid.
En zoals hierboven reeds aangegeven, er bestaat op heel veel gebieden een gebrek aan vakbekwame
mensen. Niet alleen in de technische industrie, maar bijvoorbeeld ook daar waar vakbekwame arbeid
vereist is om kunst te scheppen. Ik denk dan aan het gebied waar techniek en kunst elkaar aanvullen
(meubel maken, etsen, brons gieten, het vormgeven van gebruiksvoorwerpen, enzovoort). Wij leven
in een tijd waarin we veel van dit werk overlaten aan machines en robots, hetgeen de
(massa)productie ten goede komt, maar de dood in de pot is voor originaliteit en uniciteit. Ik kan als
componist op internet kant en klare ‘grooves’ en ‘patterns’ vinden om in een compositie te
verwerken. En nog sterker; ik kan AI opdracht geven om een heus werk, van welke kunstdiscipline dan
ook, te bedenken en te realiseren. Bij beeldhouwkunst bijvoorbeeld kan de 3D-printer ook de
uitvoering voor zijn rekening nemen, door sampling kan de computer composities uitvoeren en ook
het maken van een gedicht kunnen we aan AI overlaten. De vraag die bij dit alles gesteld kan worden
is of dit vanuit het oogpunt van de voortschrijdende technologische ontwikkeling moet worden
toegejuicht als zijnde een geweldige stap in de beschaving van de mens, of dat deze ontwikkeling kan
leiden tot een noodlot zoals de tovenaarsleerling trof toen hij een toverformule van zijn leermeester
gebruikte om een bezem opdracht te geven emmers water te halen om de vloer te schrobben, maar
de formule om deze actie te stoppen vergeten was. U raadt het al; alles overstroomde. Een ander
zorgelijk aspect in de huidige ontwikkelingen kan zijn, dat wij onszelf overbodig maken, waardoor alle
creativiteit en noodzaak tot handelen verdwijnen en we ons echt kunnen afvragen waar de existentie
van de menselijke soort toe dient. Als ik zie hoe weldadig het bedenken én maken van voorwerpen,
schilderijen, poëzie, proza en muziek kunnen werken, bijvoorbeeld bij bezigheids-, of muziektherapie,
dan raak ik er echt van overtuigd dat we ‘versteesmie’ nodig hebben voor een gezonde samenleving.
Trouwens, voor de economie van ons land is het ook goed voldoende mensen met ambachtelijk
‘versteesmie’ binnen de grenzen te hebben, anders moet men niet verbaasd zijn dat de veel
besproken en niet gewenste arbeidsmigratie uit pure noodzaak blijft toenemen. Bezuinigingen op
MBO en HBO zijn in dit kader natuurlijk helemaal ongewenst.
Geert C.A.M. Christenhusz.