Door mijn werk als componist en schrijver/(stads)dichter krijg ik uiteraard vaak te maken met het begrip ‘Kunst en Cultuur’, een begrip dat eigenlijk uit twee elementen bestaat en waarvan het onderscheid tussen beide elementen voor heel veel mensen niet geheel duidelijk is.
Welnu; kunst behoort tot de cultuur, maar niet alle cultuur is kunst. Zo kunnen we bijvoorbeeld spreken van een ‘haatcultuur’, of een ‘aardappelcultuur’, waarbij het duidelijk is dat deze niets met kunst te maken hebben.
Samenleven brengt cultuur voort, denk hierbij aan zaken als (volks)gebruiken, feesten, taal (specifiek streektaal), omgangsvormen, moraal, volkskunst (zoals volksmuziek en volksdansen) en nog meer zaken die een samenleving sociale cohesie verlenen.
Wij, Oldenzalers, geven onze stad door de manier waarop wij spreken, vieren, geloven, eten en drinken, kortom leven, een cultureel aanzicht en al dan niet een visitekaartje voor diegenen die onze Boeskoolstad aandoen, bijvoorbeeld om vakantie te vieren.
Een typisch voorbeeld van ‘Oldenzaalsheid’, beter gezegd ‘Boeskools’ ligt in het gebruik van onze streektaal om bekenden en familieleden vertrouwelijk met doe aan te spreken (vergelijk; het Duitse dutzen) en anderen, of ouderen en meerderen met iej. Wij zijn daarbij ook nog zo vriendelijk om in een gesprek met bijvoorbeeld iemand uit Enschede de doe-vorm in te ruilen voor het daar algemeen geldende iej.
Streektaal zegt trouwens heel veel over een heersende cultuur. Neem alleen al het onderscheid dat de meeste streektalen maken tussen manlijke, vrouwelijke, of onzijdige zelfstandige naamwoorden, n’n/den kearl, n’n/den auto (manlijk), ne/dee vrouw, ne/dee fiets (vrouwelijk), ‘n/dat keend, ‘n/dat bleumke (onzijdig). In het Nederlands zijn veel van deze finesses verdwenen, nog sterker, worden dit en dat gemakshalve in alle gevallen deze en die, zodat we binnenkort spreken van ‘de woord die verkeerd in de boek staat’.
Streektaal onderstreept ook vaak het gevoel voor humor in een bepaalde cultuur. Probeer maar eens een echte Twentse mop in ABN te vertellen, wedden dat de pointe lang niet zon sterk overkomt! Ik vind het jammer dat wij Twentenaren, Oldenzalers, ons lijken te schamen voor onze streektaal, dus ook een beetje voor onze cultuur. Komt dat omdat vroeger de bazen en bestuurders veelal uit het westen van Nederland werden geïmporteerd en het Twents gesproken werd door ‘Jan met de pet’?
Dat is toch een achterhaald fenomeen. Laat onze kinderen weer tweetalig (Nederlands en Twents) groot worden, dat bevordert de taalgevoeligheid en het cultureel besef.
(Deze column verscheen ook in het weekblad De Glimlach van Twente.)
Geert C.A.M. Christenhusz.