Ik schrijf deze column op het terras en in de gelagkamer van Hotel Nieuw Antiek in Helden (Noord-
Limburg). De naam van het hotel omschrijft heel goed wezen en verschijning van het gebouw en zijn
interieur; oorspronkelijk een herberg annex koetshuis, in 1890 gebouwd door een antiekhandelaar,
vanaf 1902 café en verzamelplaats van antiek, als hotel dienstdoende sedert 1935 en sinds 2021
hebben de huidige eigenaren, horecaman en kunstenaar, hotelfunctie en kunstzinnige activiteiten
met elkaar verenigd en op die manier een concept geschapen dat, naar mijn mening, zingevend,
zinvol en zeer aangenaam kan zijn. Hoeveel kunststromingen zijn niet op gang gekomen door het
samenkomen in prettige etablissementen van schilders, dichters, schrijvers, filosofen en anderen die
de Muzen een warm hart toedragen, maar ook de geneugten van een goed glas op zijn tijd niet
versmaden? Denk bijvoorbeeld aan Café Mille Colonnes (nu Mascini) aan het Rembrandtplein in
Amsterdam waar rond 1900 veel bekende kunstenaars (waaronder de dichtersgroep de Tachtigers)
bijeenkwamen. Onder de titel ‘Het Feest der Poëzie’ wordt daar thans weer de sfeer geschapen van
zo’n avond aan het begin van de 20e eeuw, o.a. door de kleinkunst artiest Ken Besuijen, met wie wij
als theaterbureau de eer heb samen te werken in een nieuwe theaterproductie over de Rotterdamse
tekstdichter en (kroeg)zanger Koos Speenhoff.
Onder de titel Oktoberlof werden in bar de Kluit, onderdeel van voormalig café Heininks Betske,
gelegen op de hoek Wilhelminastraat/Hofmeijerstraat in onze stad, in de jaren 70 van de vorige eeuw
soortgelijke bijeenkomsten georganiseerd door o.a. Mevrouw Stappers-Vürtheim. Mijn muzikale
leermeester en vriend Alphons Gaalman begeleidde er menig Boeskool artiest en spreidde daarnaast
zijn improvisatorisch talent op de witte en zwarte toetsen ten toon. Zelf organiseerde ik er met de
toenmalige Big Band Scaramouche avonden met jazzmuziek. De Kluit was ook ons repetitiehonk. De
verbondenheid van kunst, in de brede zin, en horecabestemming zien we ook terug in initiatieven als
de Bombazijn en de Stadstuin, het Toekomstige Muzisch Café in het Landhuis (eerste keer op 1
november van dit jaar), het poppodium in de Kroeg en Oldenzaal Muzikaal, om er maar een paar te
noemen.
Overigens hoeft de verbondenheid van kunst/cultuur en horeca zich niet te beperken tot cabaret,
muziek en andere podiumkunsten. Waarom geen beeldende kunst in de kroeg? Is het misschien een
idee dat Kunst in de Etalage verdergaat als Kunst in het Café of Kunst in de Kroeg (‘bekt’ beter)? Er
zijn in Oldenzaal verschillende horecapanden die door architectuur en interieur een prachtige
entourage zouden kunnen vormen om een broedplaats te zijn voor ideeën over en het beleven van
kunst. Ik heb het op deze plek al vaker betoogt; kunst en cultuur vormen de specie om het
metselwerk van onze (Oldenzaalse) samenleving stevig te houden. We beseffen het vaak niet, maar
we kunnen niet zonder. Stel u eens een wereld zonder muziek, literatuur, dans, toneel, cabaret,
schilderijen, beeldhouwwerken, architectuur en hun aanwezigheid in film, televisie, radio en sociale
media voor!
En hoe zou het leven zijn zonder café’s, bars, dansgelegenheden, restaurants en hotels? Het vergt
veel inzicht in en liefde voor de niet direct batige onderneming die het kunstbedrijf is en tegelijkertijd
in en voor de wel batige onderneming als een horecabedrijf om een samengaan van de twee gestalte
te geven en in stand te houden. Hier in Helden hebben ze dat begrepen en gaan ze de uitdaging aan.
In onze eigen stad zijn ook al dit soort initiatieven van harte toe te juichen. Ik eindig dit stukje met
een toepasselijke poëtische verzuchting van de schrijver Gerard Reve (1923-2006):
“Laat nu de muzikanten komen en schenk hun glazen gele wijn.
Zet alle ramen op de tuin wijd open; we gaan nu lang en innig vrolijk zijn.
Geert C.A.M. Christenhusz.