Wij Oldenzalers en andere Nederlanders die in een grensstreek wonen beseffen vaak niet dat dat
voor anderen bijzonder is. Dat merkte ik toen mijn schoondochter, geboren in de polder en daarna,
als studente, wonend in Amsterdam en Utrecht en thans woonachtig in Enschede, verheugd vertelde
dat zij ‘zo maar even’ naar Duitsland kon om te tanken, te winkelen of gewoon om daar even in het
buitenland te zijn. Andere winkels, andere broodjes, andere voorkeuren, andere omgangsvormen en
andere taal. Ook vond ze het bijzonder toen ik zei dat wij met onze oosterburen vlak over de grens
onze eigen taal hebben, namelijk het Neder-Saksisch. Ik vertelde het voorval van jaren geleden, toen
ik als docent van het ArtEZ-conservatorium in het kader van een studieweek op weg was naar de
Volkshochschule in Eppingscherhof/Heek en, er waren nog geen ‘wegwijzers’ als Tom Tom of Google
Maps, ik het spoor even bijster was. Op straat zag ik twee oudere heren met een hondje lopen. Ik
draaide (!) het portierraampje open en begon: ‘Gutenmorgen, meine Herren, können Sie mir
vielleicht sagen…
’. Ik was nog niet uitgesproken of een van de twee vroeg: ‘Wo kommen Sie her?’ ‘Aus
Oldenzaal’, antwoordde ik. ‘Dann kas auch Platt, doch?’ Het gesprek werd verder gevoerd in ons
beider modersproake. Ik wil daarmee zeggen dat een cultuurbegrip als taal zich niets van een grens
aantrekt. Vooral streektalen gaan vaak over die grenzen. Trouwens (volks)muziek ook. In dat kader is
het bijvoorbeeld nogal logisch dat de beste koperblazers van Nederland uit de oostelijke grensstreek
komen; de ‘koperbezetting’ bij ons beroemde KCO bestaat voornamelijk uit Twentenaren en
Limburgers.
In Duitsland is men zich bewust geworden van het grote belang van het spreken en begrijpen van de
taal van de buren en spreken veel jonge mensen goed Nederlands, hetgeen bevorderlijk is voor
wederzijds begrip, maar ook voor handel en welvaart. Jammer is het dat in Nederland door
‘onderwijsvernieuwingen’ het vroeger obligate onderwijs in Duits, Engels en Frans is vernauwd tot
een overmatige aandacht voor het Engels, waar zelfs de Nederlandse taal onder lijdt.
Om, vooral hier in Twente, nog maar niet te spreken van de afnemende kennis van en de vaardigheid
in de streektaal, terwijl die de taalgevoeligheid in algemene zin juist zouden bevorderen. Waar het
vroeger vrij normaal was dat ouders met kinderen Twents spraken, komt het tegenwoordig nog
zelden voor, misschien met uitzondering van het platteland, dat een kind ‘tweetalig’ wordt opgevoed.
Ik ben een voorstander van de Europese gedachte en onderstreep de waarde van een verenigd
Europa, maar de cohesie van datzelfde Europa wordt versterkt door het over-de-grens denken en
doen. Juist vanuit kunst, cultuur en taal kan er een stimulerende werking uitgaan voor het bouwen
aan een sterk en hecht Europa. In mijn optiek zijn kleine kernen met een min of meer zelfde cultuur,
natuurlijker bouwstenen voor zo’n Europa, dan de grote rotsblokken van bestaande naties.
Het is te hopen dat politiek de vensters en deuren naar elkaar open blijven en wantrouwen uit de
weg wordt geruimd. Dat doe je in het vervoer door bijvoorbeeld een treinverbinding naar Bielefeld,
maar ook door minder papieren obstakels voor arbeid over de grens, maar vooral door begrip en
daarvoor is het noodzakelijk elkaars taal te spreken!
Geert C.A.M. Christenhusz.